107

Stiekem zo mooi. Foto Jeroen Verhoeff
PLUISKONTEN
Wij Nederlanders vinden futen heel gewoon. Op bijna elk water kan je ze wel vinden, zelfs midden in stadsgrachten. Dit terwijl de gewone fuut in het buitenland een vrij zeldzame vogel is van stille meren en moerassen. Wat veel mensen niet weten is dat de fuut een klein en superschattig neefje heeft: de dodaars. Die heet zo vanwege zijn kleine dotje veren aan zijn aars. Het is echt maar een heel klein beestje, niet veel groter dan een merel. Ze overwinteren op grotere wateren, maar als de lente komt zoeken ze kleine moerasjes en plasjes op, waar je ze niet snel ziet omdat ze zo schuw zijn en bij gevaar steeds snel onderduiken. Dat is jammer want ze zijn zo geweldig leuk en mooi. Hun wangen en halzen zijn prachtig roodbruin van kleur en ze hebben opvallend knalgele, dikke mondhoeken. Als je te dicht bij hun nestje komt, dat niet veel meer is dan wat opgestapelde, oude waterplanten drijvend tussen het riet, dan bedekken ze bliksemsnel hun eitjes met andere waterplanten en duiken ze onder. Net als de gewone fuut dragen ze hun piepkleine jonkies op hun rug. Ze jagen vooral op allerlei insectenlarven, kleine visjes en soms een salamander of kikkertje. Daar zijn ze heel handig in, want aan hun poten, die als een buitenboordmotor helemaal achteraan hun lijf zitten, zitten zes grote peddels. Daarmee zwemmen en kruipen ze onder water razendsnel tussen de waterplanten door.Je ziet ze dus niet zo makkelijk, maar je hoort ze wel eenvoudig, want paps en mams zingen in duet een luid en hoog ‘bibibibibi’, dat je vaak kan horen in de Broekpolder. Waar vaak vele paren ieder jaar (misschien soms wel tien?) graag nestelen. Wat een rijkdom! Deze lente zag ik twee paar van deze plukjesbipsen wel een half uur lang een enorme burenruzie uitvechten. Ze waren zo druk bezig dat ik tot vlakbij kon sluipen. Tegen elkaar opbotsend, elkaar continu uit’bibibi’scheldend, zelfs heftig op elkaar inhakkend en elkaar onder water trekkend, probeerden ze zo te bepalen wie er mocht gaan nestelen in een klein hoekje Vlaardings riet.
___________________________________________________________
106

Auw. Foto Jeroen Verhoeff
KAMIKAZEPILOOT
Zit ik op een bloedhete dag in het gras en in de schaduw van een dug-out met mijn dochters te kijken naar hun jongste zus die druk bezig is met voetbalkampioen worden, komt er zomaar opeens iets uit de lucht vallen. Pok! Wat was dat? Ik kijk naast me en zie een insect raar schokkerig over de stoeptegels naar het gras kruipen. Ah: het is een duikerwants, die ken ik van mijn zoetwatersnorkeltochten.
Duikerwantsen zijn waterinsecten die onder hun vleugels en aan allemaal fijne haartjes op hun lijf lucht vast kunnen houden, waardoor ze onder water kunnen ademen. Hun achterste poten zijn lang, groot en behaard en daarmee zijn het flinke roeispanen waarmee ze heel snel kunnen zwemmen. Alle soorten wantsen hebben lange en scherpe steeksnuiten, waarmee ze sappen en het binnenste van planten, insecten en andere dieren kunnen zuigen, en met die steeksnuiten kunnen ze ons ook gemeen prikken. Dus pakte ik hem voorzichtig op en gooide hem hoog in de lucht, in de hoop dat hij zo verder kon vliegen op zoek naar water, want hij zag er niet uit alsof hij zelf op kon stijgen. Dat hij op een voetbalveld was geland kwam omdat de glimmende plastic bovenkant van de dug-out er waarschijnlijk voor hem als een klein vijvertje uit zag. Dat wist ik doordat ik veertig jaar geleden al fietsend ooit een veel hardere ‘pok’ hoorde, toen een geelgerande watertor (één van de grootste insecten van Nederland) eveneens ten onrechte dacht dat de spiegelende vooruit van een geparkeerde auto een mogelijk fijn leefwater was. Dus Hansje Duikerwantsje had zich ook van hoog uit de lucht naar beneden laten vallen om daarna pas met een barstende koppijn zijn vergissing te beseffen. (Ze kunnen verrassend goed vliegen omdat de vijvers en sloten waarin ze graag wonen soms droog vallen). Duikerwantsen zien er met hun gigantische ogen en glimmende lijfjes uit als kleine aliens en het zijn enorm goede jagers die zelfs prooien kunnen vangen die veel groter zijn dan zichzelf. Maar welke was het precies? Er zijn namelijk een heleboel soorten duikerwantsen. Ik vermoed dat dit een gestippelde duikerwants was, want hij was best groot. Maar ze lijken allemaal wel behoorlijk veel op elkaar. Misschien is het toch een Oostelijk zwemmertje, of een vlekpootje, dan wel een zwartvoetje, misschien een donkere moerwants, zou het ook een slootsigaar kunnen zijn, of warempel dan toch een langhandsigaar? Wat maakt het uit? Alle duikerwantsen zijn gaaf!
___________________________________________________________
105

Manneke huisterrasmueslimetcranberrymus. Foto Jeroen Verhoeff
HUISKNUSMUS
Lang, lang geleden, in de tijd dat wij nog simpele landbouwers waren, leefden er in het Midden-oosten kleine vogeltjes. Deze vogeltjes kwamen er daar achter dat wij nogal knoeien met onze landbouwproducten die zij ook lekker vinden. Wij vonden deze vogeltjes op onze beurt nogal schattig en zo komt het dat de huismus nu een zogenaamde cultuurvolger is. Een nogal succesvolle, want ze hebben zich sindsdien verspreid over meer dan de helft van de wereld, ook omdat wij ze overal graag loslieten in nieuw veroverde gebieden. Huismussen hebben dan ook niet zoveel nodig. Een veilig broedholletje voor een nest, wat insecten om in de eerste maanden aan hun jongen te voeren, veel graantjes om mee te pikken en schuilplekken om je te verstoppen voor als de sperwer langs komt. Deze kleine en prachtige roofvogel eet zo graag mussen dat hij daarom in Engeland zelfs de sparrowhawk, oftewel de ‘mushavik’ heet. Op een afstandje kijkt hij toe, vliegt dan laag naar zijn prooi en grijpt dan met zijn lange poten bliksemsnel en vaak ook nog acrobatisch ondersteboven een mus uit de lucht, soms zelfs gewoon tussen de mensen op de markt of op een terras.
De wederzijdse afhankelijkheid en aanhankelijkheid tussen mus en mens werkte eeuwenlang prima, tot aan het eind van de vorige eeuw, toen de hoeveelheid gif in onze omgeving toenam en de hoeveelheid schuil- en broedgelegenheid juist enorm afnam, waardoor we de helft van al onze mussen kwijtraakten. Tegenwoordig gaat het weer iets beter, maar je ziet nog steeds veel minder mussen dan vroeger. Want we gebruiken nog steeds heel veel gif, onze nieuwere en goed geisoleerde huizen zijn niet of nauwelijks meer kraakbaar voor mussen, spreeuwen en gierzwaluwen en rommelhoekjes met struiken en onkruiden om in te kunnen vluchten en van te eten passen niet meer in ons gereguleerde en supernette landje. Dat is jammer, want wie houdt er nou niet van die vrolijk kwetterende en scharrelende huismussen om ons heen? Op het terras langs de Vaart bij de Vlieten zie je ze gelukkig nog wel. Daar kunnen ze goed vluchten in de kleine bolboompjes op het terras en kunnen ze rijkelijk eten van al wat wij morsen of wat zij brutaal van onze borden happen als we even niet kijken. De mannetjes zien er prachtig uit met hun subtiele grijze petjes, hun zwarte maskertjes en hun vele tinten van warmbruin. De vrouwtjes zijn minder bont gekleurd, maar die maken het wel weer anders bont door vrij dominant over de mannekes te zijn in de huismusmaatschappij.
___________________________________________________________
104

Jonge stadskoolmees op eigen pootjes. Foto Jeroen Verhoeff
KOOLMEESTE
Vroeger nestelden veel soorten vogels in natuurlijke boomholten en spechtengaten. Maar bomen zijn er natuurlijk in de eerste plaats vooral van ons en wij houden niet van krom gegroeide, beschadigde en dode bomen, dus tegenwoordig zijn boomholtes nogal zeldzaam in ons land. Maar aan de andere kant vinden we het vaak ook weer leuk om beestjes te helpen, dus hangen we graag nestkastjes en allerlei soorten voer op voor onze favoriete soorten vogels. Hierdoor is de koolmees meestal onze meest algemene mees. Dat is helemaal niet erg, want ze zijn allemachtig prachtig met hun blauwige vleugels, groene rug, gele buik en borst, zwarte kop en friswitte wangetjes. Koolmezen hebben geen makkelijk leven, want na het overleven van de winter dienen ze hun nestbouw en eileg precies af te stemmen op het moment dat er allemaal van die kleine groene rupsjes tevoorschijn komen die ze dan aan hun kroost kunnen voeren. Door ons enthousiaste verwarmen van de aarde vervroegt dat tijdstip echter steeds, waardoor de koolmees het nogal lastig heeft wat betreft het bepalen van de ideale timing. Na het redelijk ontspannen broeden in hun keurig op maat gemaakte bouwmarkthouten minibungalow zit de rust er echter voorlopig op. Want dan zijn de papsen (herkenbaar aan de bredere zwarte borst- en buikstreep) en de mamsen namelijk eindeloos druk in de weer met het aanvoeren van de vele duizenden rupsjes en insecten voor hun soms wel tien jongen en ook met het weer afvoeren van hun keurig in vliesjes verpakte poepjes. Zo druk, dat ze vaak niet eens tijd hebben om hun eigen verenpak te verzorgen, waardoor er ze vaak nogal verfromfraaid uit zien. Als de jongen uitgevlogen zijn begint het ouderpaar nondeju meteen al weer opnieuw aan een tweede leg. Want voor je het weet zijn er van die tweeëntwintig meeskes een jaar later nul komma nul over, want winters overleven valt niet mee en huiskatten en sperwers lusten graag een mezenboutje. Triest genoeg zorgt ons rijkelijk bemesten van ons landschap met stikstofverbindingen er bovendien voor dat de bodem verzuurt, waardoor veel mamamezen zo weinig calcium via hun voedsel binnen krijgen dat de pootjes van hun jongen vaak al in het nest breken. Daarnaast is ook ontdekt dat ons huis- en tuin gebruik van gif (bijvoorbeeld anti-buxusmotgif en anti-vlooien/tekengif voor honden en katten) er waarschijnlijk voor zorgt dat veel tuininsecten en dus ook veel mezenjongen sterven. Vetbollen en nestkastjes versus poep en gif: we zijn blijkbaar meestal goed en slecht tegelijk.
___________________________________________________________
103

Look away: it’s Rupsilla’s death stare! Foto Jeroen Verhoeff
FIETSPADMONSTER
Fiets ik na een rondje Broekpolder huiswaarts, voel ik opeens de weg op en neer gaan en hoor ik plots gekraak van versplinterende bomen. Langs de weg vallen een paar wilgen uiteen en dan steekt er opeens een gigantisch grote megareuzenrups de weg over! Ik kon nog net van mijn fiets springen voordat die tegen het gigantische gevaarte total loss knalde. Vanaf de andere kant was een vrachtwagen ook te laat en die crashte eveneens vol tegen het enorme monster. Nou oké, misschien overdrijf ik nu een beetje, maar de rups was wel écht groot hoor. De wilgenhoutrups, want dat is was het was, is met zijn tot tien centimeter lange lijf dan ook de grootste rups van Nederland. Om zo groot te worden bijten ze letterlijk op een houtje, soms wel vijf jaar lang. Hout is best hard en daarom hebben ze grote, sterke kaken, dus pas op, want daarmee kunnen ze flink van zich afbijten. Zo maken deze ‘houtboorders’ lange gangen in wilgen, populieren, elzen en zelfs eiken. Uiteindelijk vervelt en verhardt de zachte rupsenhuid zich tot een bruingekleurde pop waarbinnen de rups helemaal oplost tot rupsensoep! Deze soep stolt vervolgens tot een een wilgenhoutvlinder. Deze zijn opvallend kleiner dan je zou verwachten. Ze hebben een geweldige schutkleur waardoor ze overdag ongezien aan een boom kunnen hangen. Eten kunnen en hoeven ze niet, want ze zijn hun hele volwassen nachtleven lang enkel en alleen met seks bezig. Dat hele seksleven duurt echter slechts een paar dagen, want dan is het uit met de pret en moet mams alleen nog haar eitjes op een zwakke plek van een boom leggen. Interessant is dat waar bij mensen het larvestadium een stuk korter is dan het volwassen stadium, dat bij veel insecten dus juist andersom en ook veel extremer is. Stel je eens voor hoe zou dat zijn! Eerst bijna eindeloos lang kind zonder ouderlijk toezicht zijn en dan er op het laatst met een enorm louter-seks-eindejaars-feest er letterlijk uit knallen… sjonge. Afijn, dit eeuwige kind zwoegde met haar enorme, pulserende, paars, oranje en gele lijf over het asfalt om daarna moeizaam onder het gras door proberen te wurmen, op zoek naar een nieuwe boom om op te eten of een plek om te verpoppen. Ik heb het niet gemerkt, maar ze ze schijnen een beetje naar azijn te ruiken. Mede daarom werden ze vroeger ook wel gegeten. Natuur is vaak monsterlijk mooi!
___________________________________________________________
102

De dappere merelmama. Foto Jeroen Verhoeff
MINDER MEREL
Er broedt een merel in mijn mini-tuintje. Een week of twee lang zag ik mama merel grasjes, strootjes en zelfs plastic verzamelen voor haar nest en nu zit ze heel broedvast op haar mooie blauwgroen gevlekte eitjes. Want toen ik haar nest voorzichtig van dichtbij wilde bekijken zat ze al te broeden, maar ze bleef ze gewoon zitten. Toen ben ik snel weg gegaan, want stel je eens voor wat er in haar omgaat. Zo zit je als aanstaande mama tevreden en gelukkig in je mooie veilige bouwsel, komt het gevaarlijkste wezen op aarde opeens bij je naar binnen kijken. En terwijl je duizend doden van angst zit te sterven en je instinct staat te schreeuwen dat je er als de sodemieter vandoor moet gaan, fluistert datzelfde instinct je rustig toe dat je roerloos moet blijven zitten om je toekomstige baby’s te beschermen. Dat is voor ons amper voor te stellen, want dat soort gevaar kennen wij mensen nauwelijks meer. Wij kunnen overal nagenoeg onbekommerd rondlopen zonder veel angst om aangevallen of opgegeten te worden. (Wij mannen dan, want voor vrouwen is het treurig genoeg wel wat gevaarlijker). Maar stelt u zich eens voor dat u een merel of een muis bent. Dat je zoveel vijanden hebt, dat je zo veel mogelijk verstopt moet zitten, steeds korte stukjes moet rennen en dan weer doodstil moet blijven zitten, terwijl je continu om je heen moet kijken omdat bijna elk ander dier je op wilt vreten. Pffff…. Stadsmerels hebben minder last van wilde roofdieren, maar de hoeveelheid katten per vierkante kilometer stad is wel bizar hoog. De oppervlakte van de gemeente Vlaardingen zou maximaal tien wilde katten kunnen voeden, maar er leven nu misschien wel tienduizend katten in Vlaardingen, waarvan er vast wel een paar duizend ook naar buiten mogen. Die tamme katten lusten nog steeds graag zo’n makkelijk grijpbaar uit het nest gekukeld vogelong. Vogelliefhebbers zijn daarom voorstander van het een paar weekjes binnenhouden van katten als jonge tuinvogels uitvliegen, terwijl kattenliefhebbers vinden dat hun gevangenen juist de vrijheid moeten hebben om te blijven kunnen luchten. Als niets meer merel zou eten, dan zouden we elk jaar drie keer zo veel merels in de stad hebben, dus je zou zeggen dat het niet zo erg is als er wat overschot in kattenmagen eindigt. Maar door onze steeds meer versteende tuinen, minder vindbaar voedsel en het usustuvirus neemt het aantal stadsmerels echter steeds verder af. Sorry mooie merels, maar wij mensen bepalen nu eenmaal alles.
___________________________________________________________
101

Groot, zacht en kjoet! Foto Jeroen Verhoeff
ZO ZEI DE ZIJDEBIJ
Als het zonnetje schijnt komen al in maart de grote zijdebijen te voorschijn. Ik zag er vorige week vele duizenden vlak boven zandige paadjes in de polder vliegen. Grote zijdebij is best een goede naam, want ze zijn niet klein en wel weldadig zachtbehaard. De volwassenen zijn van maart tot juni actief. Ze vliegen dan vooral op wilgekatjes, waar ze zelf trouwens ook best wat op lijken. Het is een mooi gezicht om die duizenden witzilveren vliegende bolletjes nu vlak boven de grond naarstig te zien zoeken welke van de talloze gaatjes hun juiste is. Ze graven lange horizontale gangetjes met aan het einde een paar zijgangetjes, die soms wel een meter diep liggen en die ze vervolgens waterdicht bekleden met een zelfgemaakt, zijdeachtige spul. Dat is wel nodig ook, want de eitjes, de larven die daaruit kruipen, het voedsel voor de larven dat mama ijverig verzamelde en de nieuw uitgekomen bijen moeten daarin tot een volgende maart kunnen overleven. Als de jongvolwassenen uitkomen moeten ze dus nog een half jaar wachten tot ze blij de wijdebijenwereld in mogen vliegen, dus tot die tijd is het een zaak van gelaten afwachten en, zo zei een bij mij laatst blij: En dan hopen dat er intussen geen Schotse hooglander zijn grote hoop op mijn toekomstige uitgang doet…
Bijen zijn de laatste jaren veel in het nieuws. Het gaat dan natuurlijk meestal wel weer over de voor ons economisch belangrijke honingbij. Maar de tamme honingbij hoort hier van nature niet thuis en kunnen we eigenlijk beschouwen als minivee, met daarbij dus ook weer allerlei problemen die bij onze huidige landbouw horen. Gelukkig gaat het ook steeds vaker over de ruim driehonderdvijftig soorten inheemse wilde bijen. Voor hen hangen we vaak van die schattige bijenhotelletjes op, maar driekwart van onze wilde bijensoorten nestelen in de grond. In de wilde natuur zorgen allerlei grote beesten en kleine natuurrampjes er voor dat er altijd open plekjes in de begroeiing en natuurlijke aardehellinkjes zijn, maar in onze niet meer wilde natuur zijn die plekjes nogal zeldzaam. Behalve woonruimte hebben bijen ook graag wilde bloemenweides tot hun beschikking, maar wij mensen houden niet zo van bloemen. Wij maaien bijna alles kort af, waardoor er vooral bijenvoedselloos gras overblijft. Wilde bijen zouden het, bij de wee, zeer op prijs stellen als we ook wat minder gif en plastic zouden rondstrooien. Maar ja, gif vinden we nu eenmaal een essentieel onderdeel van onze groeieconomie-landbouw, dus daar blijven we bij.
___________________________________________________________
100!!!
STEMMIGE LENTE

Lentefeest: mijn honderdste column hier! Foto Jeroen Verhoeff
De zanglijster zingt, de hommel zoemt en de kikker springt naar zijn geboortewater. Het is lente! Elke keer ben ik weer verbaasd over het wonder van hoe de winterse grauwheid zo heerlijk overgaat in een feest van terugkerend en nieuw leven. Alsof ik die vorige vele tientallen keren gewoon vergeten ben! Al die planten en dieren die weer groeien en bloeien en nestelen en paren, die doen dat instictief volgens ons, daar denken ze niet bij na. Dit natuurlijk in sterke tegenstelling met wat wij mensen doen. Wij hebben een eigen wil. Wij denken goed na voordat we iets doen. Kijk naar de komende verkiezingen. Stemmen doen we niet instinctief, maar nemen we serieus. We doen diepgravend onderzoek naar niet alleen de wensen en beloften van de verschillende partijen, maar ook naar wat ze in het verleden daadwerkelijk tot stand hebben gebracht. Want politieke reclamepraatjes en populistisch gebral, daar prikken we doorheen. Toch?
Nou… Onderzoek wijst uit dat onze stemkeuzes voor een groot deel hetzelfde zijn als die van onze ouders, dat we kiezen voor de persoon van wie we ook het snelst een tweedehands auto zouden kopen en dat we vooral stemmen op de politicus die het meest lijkt op degene met wie we in de kroeg graag een biertje zouden willen drinken. Om daarna gebroederlijk te kunnen mopperen hoe vreselijk alles is in één van de rijkste en meest vrije landen ter wereld. Voor intelligente wezens die het beste voor hebben met iedereen en die ook nog snappen dat je ook moet denken aan de toekomst, zit ons democratisch systeem best wel redelijk in elkaar. Dat soort wezens bestaan wel (Er gaat een gerucht dat er één in Schipluiden woont), maar veel zijn het er niet. Als gehele diersoort zijn we echter nog niet zo ver. We stemmen vooral vanuit zelfbelangen, angsten, goedgelovigheid en gewoontes. Daarom staan er op ons stembiljet straks partijen als HdR (Helpderijken), LLRD (Linkslullenrechtsdoen), BVE (BlankVlaardingenEerst), AHS (Allesishullieschuld) en GOTH (Geloofdeonzichtbaretovenaarindehemel). Mensen met meer geld, macht en minder geweten hebben altijd al grotendeels bepaald wat er gebeurt, maar door de invloed van vooral de sociale media gaan we zelfs steeds vaker stemmen op partijen die juist tégen de democratie zijn, die roepen dat alle ellende van de linkerkant komt (terwijl die niet of nauwelijks geregeerd heeft deze eeuw) en die nóg onbeschaamder liegen en bedriegen. Maar geloof mij vooral niet hoor, want ik wil graag dat álle mensenkinderen en dieren het óveral blijvend beter krijgen, dus ik stem lekker voor de ELWW (Extreemlinksewokewappies).
___________________________________________________________
99

Aaaahhhhh! Knobbelzwaan attack! Foto Jeroen Verhoeff
KNOBBELZWAAN
Knobbelzwanen zijn groot en met hun gewicht tot wel twaalf kilo behoorlijk indrukwekkend en ze zijn vaak helemaal niet bang voor mensen. Veel van die mensen zeggen dat ze met een klap van hun vleugel je arm kunnen breken, maar dat is een wel erg enthousiast verhaal. Knobbelzwanen zijn meestal ongevaarlijk. Ik kom ze tijdens het snorkelen regelmatig tegen en ik ben nog nooit aangevallen. Zeker: in de broedtijd kunnen ze rond hun nest en jongen heel beschermend zijn. Dan komen ze vaak sissend en met omhooggehouden vleugels dreigend op je af. Maar als ik dan rechtop ga staan en ze zien dat ik toch meer ben dan slechts een half bolletje met een buisje er aan, dan draaien ze toch vrij schuchter om, alsof ze voor de zekerheid nog even gaan controleren of ze hun nest wel goed op slot hadden gedaan. Maar sommige heren knobbelzwaan (herkenbaar aan de dikkere knobbel op hun snavel) vallen wel degelijk serieus aan. Professionele knobbelzwaanvangers (ja, die bestaan) grijpen boze zwanerds simpelweg bij de nek en tillen ze op. Maar het is ook wel eens gebeurd dat er één in het water viel en zo lang letterlijk door een boze zwaan op zijn kop werd gezeten dat de zwanenvangerd een zwanezangerd werd.
Knobbelzwanen waren ooit bijna uitgegroeid, maar rijke mensen vonden het sjiek om ze op hun landgoed te hebben en hun nakomelingen hebben zich later weer verspreid over Europa. Dat kan je ook wel merken, want de meeste zwanen in West-Europa zijn nog steeds vrij tam. Dit in tegenstelling tot de zwanen die ik al kanoend tegenkwam bij de Pools-Russische grens. Want die waren echt behoorlijk wild en schuw. Knobbelzwanen maken weinig geluid, slechts een beetje gefluit en gepiep en schattig geknor, maar als ze vliegen maken hun vleugels een prachtig fluitend geluid. Vorige eeuw stond ik me langs de Boonervliet te vergapen aan een koppel zwanen die statig en koninklijk vlakbij langs vlogen, totdat de ene even een ietsje inhield, zijn of haar staart omlaag hield en vervolgens een enorme, knetterende scheet liet, wat de magie voor mij toch wel een beetje wegnam toen.
Knobbelzwanen zijn planteneters en hun lange nek is erg handig omdat ze zo ook in diep water waterplanten kunnen happen. Als die in het zoete water zijn opgegeten dan gaan ze naar grote en zoute wateren om daar hun buik rond te eten. En die meneer zwaan op de foto? Die was toch heel vriendelijk en liet mij heel dichtbij komen.
___________________________________________________________
98

Duidelijk isotomurus graminis en dicyrtomina ornata natuurlijk. Foto Jeroen Verhoeff
VERSPRINGSTAARTEN
Het was een zonovergoten en windstille dag en de zo lang droog staande waterplassen in de Ruigte van de Broekpolder waren weer fijn helemaal gevuld. Het ijs was verdwenen en op het water zag ik tienduizenden dieren zitten. Vaak verblijven daar veel eenden en waadvogels, maar in plaats van twee hadden deze dieren allemaal wel zes poten. Ik zag twee soorten: isotomurus graminis en vooral veel dicyrtomina ornata. Nu neem ik de enorme gok dat sommigen van mijn lieve lezers deze misschien niet kennen. Wat toch ook weer wat vreemd is omdat er waarschijnlijk letterlijk biljoenen van rond lopen in Vlaardingen, maar ja, ze zijn dan ook kleiner dan een speldenknop. Op sommige plekken kunnen er zelfs tweehonderdduizend per vierkante meter leven! Met het blote oog zag ik allerlei suikerkorrel-grote bolletjes op het water wandelen, waarin ze niet eens zouden kunnen verdrinken als ze zouden willen, want ze zijn zo licht dat ze niet eens door de oppervlaktespanning van het water kunnen zakken. Pas via mijn macrolens zag ik hoe gaaf ze er uit zagen. Het filmen van deze twee soorten springstaarten was niet echt eenvoudig, want zo piepklein en zo laag op het water waren ze erg moeilijk scherp te krijgen. Als ik ze dan wel eindelijk mooi scherp in beeld had sprongen ze vaak opeens gigantisch ver weg. Dat doen ze met een soort enorme springveer die ze onder hun bips hebben zitten. Dat maakt ze na vlooien de beste springers in het dierenrijk, want ze kunnen honderd maal hun eigen lichaamslengte ver springen. Je zou bijna zeggen dat het insecten zijn, maar de zevenentachtighonderd soorten springstaart behoren natuurlijk tot de ‘collembola’: een eigen klasse van geleedpotigen ergens tussen de kreeftachtigen, spinnen en insecten in. Ik herkende ze omdat ik ze vroeger wel eens op het oppervlak van mijn aquarium zag lopen. De isotomurus graminii waren wat saai van kleur maar oogden monsterlijk gevaarlijk in vergelijking met de veel talrijkere, veel kleinere, schattig bolrond en mooi warm-bruin gemarmerde dicyrtomina ornata. Springstaarten houden van vochtig en zitten meestal op of in de bodem tussen bladafval en mossen. Maar ook op het water dus en ik zag ze ooit zelfs op het ijs rond scharrelen. Ze eten schimmels, algen en allerlei dieren- en plantenresten en daarvan maken en poepen ze dan weer nieuwe aarde. Enorm talrijke en bijzondere beessies dus, maar zo klein dat ik er voor u maar eens een vergrootglas voorhoud.
___________________________________________________________
97

Mijn enige foto van een zoldermarter en dus ook maar een oude tekening.
KABELKAUWERS OP ZOLDER
Hij is er! Een paar jaar geleden schreef ik hier al dat hij er aan zat te komen: de steenmarter! Die kwam vroeger alleen in het oosten van ons land voor, maar ze trekken steeds meer westwaarts. Ik kreeg een foto van een fan opgestuurd met duidelijk een steenmarter in zijn tuin. Steenmarters lijken veel op boommarters. Ze zijn ongeveer even groot, als een halwas kat. Maar waar de boommarter een gele keel heeft en een warmbruine vacht met een wat gelige ondervacht heeft de steenerd een witte keel en een grauwbuine vacht met een wat wittige ondervacht. Boommarters zijn iets stoerdere jagers, maar verder lusten ze grotendeels dezelfde dingen, namelijk kleine zoogdieren, vogels, kikkers, insecten en verrassend veel fruit. De namen zijn goed gekozen, want boommarters hielden oorspronkelijk van dicht bos en steenmarters meer van een rotsachtige omgeving. Ze zijn beiden gestaag veranderd van eerst zwaar bejaagde, en dus kritische en schuwe zeldzaamheden, naar nu beschermde, veel makkelijkere en veel minder schuwe algemeenheden. Vandaar dat de boommarter nu zelfs Vlaardingen pruimt en de steenmarter hier ook genoeg vuilniszakken, ratten en warme schuilplekjes zal vinden. Dat is fijn nieuws, maar ze geven soms ook wel wat overlast. Als je een steenmarterfamilie te gast krijgt op zolder, dan kan het enorm energieke gespeel van de jongen en enige stank best irritant zijn. Ook hebben ze de vreemde gewoonte om onder de motorkappen van auto’s te kruipen om daar enthousiast op stroomkabels te gaan zitten kauwen, iets wat ik zelf ook drie jaar geleden in Duitsland heb meegemaakt. Ze eten ook eieren, inclusief graag die van weidevogels. Voor sommigen van ons zijn juist die vogels erg gewenst, maar steenmarters weer niet, waardoor ze plaatselijk al allemaal worden gedood, want ook veel dierenliefhebbers vinden het aanwijzen van een zondebok namelijk veel makkelijker dan kritisch naar onszelf kijken. Wij hebben namelijk zélf ons cultuurlandschap zó veranderd dat weidevogels het steeds slechter doen. Waar vroeger onze weilanden kletsnat, bijna boomloos, soortenrijk, gezond, beperkt bemest en moeilijk te bereiken waren zijn ze nu eerder droog, boomrijk, soortenarm, vergiftigd, overbemest en makkelijk toegankelijk voor ei- en jongen-etende dieren, die gewoon te dom zijn om te snappen dat die kievitseieren en gruttokuikens helemaal niet voor hen bedoeld zijn, potjandosie! Vroeger barstte het hier ook van de weidevogels omdat we toen al die roofdieren standaard kapot schoten natuurlijk. Ik vind marters beeldschoon en geweldig en ik hoop ze gauw weer eens te zien.
___________________________________________________________
96

Heerlijk gegeten weer! Fotobewerking Jeroen Verhoeff
DE BESTE WENSEN!
Ik ben vooornemens om meer te gaan bewegen, dus ik ga wat vaker mijn e-bike pakken in plaats van de auto en… oh, wacht, het regent nu. Ik wil meer groen in de stad, maar mijn eigen tuin gooi ik voor het gemak toch maar vol met tegels. Ik wil gezonder gaan eten, maar de supermarkten werken niet erg mee. Ik wil minder gaan vliegen, maar het is toch eigenlijk niet eerlijk dat andere mensen zonder zulke mooie principes als ik dan wel gewoon fijn naar verre landen kunnen en ik niet? Ik wil minder vlees gaan eten, maar ik ben het zo gewend en ik vind het zo lekker. Ik wil dat de natuur in dit land beter beschermd wordt, maar mijn onderbuik en veel sociale media zeggen dat ik juist voor grote partijen moet stemmen die dat niet zo nodig vinden. Ik wil minder gaan skiën, want dat is niet best voor het milieu, maar ja, door die klimaatverandering kan het straks toch helemaal niet meer, dus ik ga toch nog maar een keer, nu het nog kan. Ik wil de wolf best wel gedogen, maar dan moet hij zich wel netjes aan onze regels houden, zodat wij mensen zelf niet hoeven te veranderen. Ik wil geen piepkleine stukjes plastic in de lucht, in het water, in mijn eten, in moedermelk, in mijn lichaam en in mijn kinderen, maar ik kan ze niet eens zien, dus stem ik straks maar gewoon weer op een partij die het goed vindt dat ze nog steeds geloosd worden. Ik wil meer echte natuur in Nederland, maar ik laat me graag vertellen dat ons land daar te klein voor is of dat we er al genoeg van hebben. Ik wil duurzamer leven, maar ik vind het best wel moeilijk en ik kies meestal toch voor iets wat makkelijker is. Ik wil minder onnodige spullen kopen, maar de dopamine die vrij komt bij het winkelen is zo lekker. Ik wil gastvrijer zijn, maar niet voor mensen die ik niet ken of die een beetje anders zijn. Ik wil minder op mijn telefoon zitten, dus ik ga nu een bericht posten dat ik dat ook écht ga doen.
Pfoe, wat een lijst. Bij nader inzien wens ik toch eigenlijk maar liever dat vooral heel veel ándere mensen veranderen, want dat schiet toch veel meer op dan wanneer ik dat in mijn ééntje doe, toch?
___________________________________________________________
95

Diep in de poep… Fotobewerking Jeroen Verhoeff
STIKSTOF TOT NADENKEN
Nederland stikt van de stikstof. ‘De natuur gaat er aan’, ‘het land staat op slot’ en er is een ‘groot stikstofprobleem’. Maar de lucht om ons heen bestaat voor driekwart uit stikstof en planten groeien toch juist extra goed door stikstof, dus… uuhhh… huh?
Welnu: niet stikstof, maar bepaalde ‘stikstofverbindingen’ veroorzaken die problemen. Deze ontstaan als stikstof zich verbindt met andere stoffen, zoals zuurstof en waterstof, tot verbindingen als ammoniak en stikstofoxiden. Deze verzuren, overbemesten en verstoren de bodem. We hebben dus een ‘stikstofverbindingenprobleem’. Vruchtbare grond was vrij zeldzaam in de natuur, zodat de meeste soorten planten en dieren zich aanpasten aan een voedselarme omgeving. Mestliefhebbende planten groeiden alleen op vruchtbare plekken, zoals overstromingsgebieden of plekjes waar veel poep lag. Nu er ook nog overal bakken stikstofverbindingen uit de lucht vallen doen brandnetels, bramen en gras het uitstekend, maar kunnen de meeste andere soorten steeds minder goed overleven. Dan kun je vinden dat die ‘armegrondnatuur‘ en biodiversiteit dan maar pech hebben, maar het vervelende is dat ons stikstofverbindingenprobleem uiteindelijk ook onze landbouw en ons eigen leefklimaat kapot maakt. Nederland is letterlijk een ‘scheitland’ geworden. Daar wordt door deskundigen al vele tientallen jaren voor gewaarschuwd, maar vele politici, banken, supermarkten en de landbouwlobby kiezen voor korte termijn eigenbelangen en negeren dat steeds. Daarbij worden de media enorm overbemest met allerlei onwaarheden en afleidingstrucs. Feit blijft dat dit vervelende verbindingenprobleem vanuit de industrie, het verkeer, maar vooral vanuit de landbouw komt. De helft van Nederland is landbouwgrond, waarvan het grootste deel gebruikt wordt voor melk en vleesproductie. We eten vijf keer zo veel vlees als een eeuw geleden en nergens in Europa is de veedichtheid zo groot als hier. We importeren ontelbare hoeveelheden kunstmest en veevoer (vooral soja en graan), waarna we zeventig procent van de opbrengst exporteren. Nederland blijft zo netto met de shit zitten terwijl er maar een paar mensen economisch profiteren. Een politieke oplossing zit er voorlopig niet echt aan te komen, dus wat nu? Wat minder vlees eten? Ben je besodemieterd!
_______________________________________________________
De column ‘Groene Jeroen” verschijn twee maal per maand in ‘Nieuwsblad Vlaardingen’ (Voorheen ‘Groot Vlaardingen’; ik mis die naam).