Groene Jeroen columns 2022

Geplaatst op door Jeroen Verhoeff

 

Elke twee weken schrijf ik een column over de plaatselijke natuur in de krant ‘Groot Vlaardingen’.

Hier de ‘Groene Jeroen’ columns van 2022 tot nu toe:

 Groene Jeroen 23 (24-8-2022):

‘WESPSEN’

Groene Jeroen: wespen

Hardwerkende wespenjuffrouw in een apocalyptisch duiflandschap

Het is augustus en dus weer wespentijd. Dan word je soms gek van die ellendelingen die op je limonade of appeltaart afkomen als je net lekker buiten in het zonnetje zit. Waarom doen ze dat? Laat ze lekker zelf limonade en taart gaan halen! Tja, hoe zit dat?

Elke wespenkoningin maakt na de winterslaap een nieuw nest. Ze heeft het maar wát druk om de eerste jongen groot te brengen. Maar daarna nemen de eerste volgroeide wespendames dat harde werk over. Deze jonge werksters helpen bij het voederen van de larven en krijgen daarvoor als dank wat heerlijk zoet spuug terug. Hierna gaan ze aan boomschors of riet knagen en het aldus verzamelde houtpapje gebruiken ze als bouwmateriaal voor het nest. Na ongeveer een week gaan de werksters op jacht en vangen ze enorme hoeveelheden vliegen, andere insecten en spinnen. De middelbare werksters zorgen daarna voor de aanvoer van water en nectar en daarna blijven de oma’s vooral thuis als bewaaksters. Zo’n heftig en druk leven en dat gemiddeld maar twee weken lang! Aan het eind van de zomer is het grootbrengen van een kudde nieuwe koninginnen het enige dat telt. Zo ontstaan er voor de werksters tekorten aan nectar en heerlijk zoet babyspuug en die hongerige snoepdames komen dan voor het gemak maar af op al het zoets dat wij in augustus en september voor ze op tafel zetten. Na het uitvliegen van de prinsessemaagden en de just-for-sex-mannenwespen sterft de oude koningin en zijn de werksterdames niet meer nodig. Het ongeleide nest vervalt en verdwijnt. Sjongejonge; wat een drama.

Afijn, wespen zijn dus ook vleeseters. Ik filmde laatst van tien centimeter afstand een half opgegeten houtduif die achtergelaten was door een havik. Behalve de vliegen kwamen er steeds wespen op af en het was prachtig om te zien hoe zij flinke balletjes duivenvlees los knipten met hun scherpe kaken. Vliegen die te dichtbij kwamen kregen nonchalant een ferme karatetrap van hun achterpoten. Als ze zo’n vleesballetje los hadden gekregen pakten ze het met vier pootjes op en vlogen ze terug naar hun nest. Zo mooi om te zien!

____________________________________________

Groene Jeroen 22 (10-8-2022):

‘STADSBOMEN’

Groene Jeroen: stadsbomen

Linde heeft het altijd wat benauwd op de Hoogstraat.

Waarom zit er in een stadsboom veel minder leven dan in een bosboom? Het kan niet puur aan de bebouwing liggen want een boom in een bergkloof zit ook vol leven.

Veel geplante, niet bosbewonende bomen in onze provincie, zoals kastanjes, sierkersen, esdoorns en populieren horen hier niet van oorsprong thuis. Veel Hollandse rupsjes, torretjes en vogeltjes kennen en lusten dat exotische groenvoer dus niet en daarom hebben ze daar letterlijk niet veel te zoeken. Uit gewoonte en geldbesparing staan deze bomen vaak in keurig rechte rijen van dezelfde soort en grootte langs Neerlands wegen en wateren. Dat kan je mooi, strak en rustgevend vinden of juist lelijk, monotoon en saai, maar vast staat dat in die uniformiteit van kwetsbare monoculturen schimmels, bacteriën en plaaginsecten ongestoord van de ene voedselbron naar de volgende kunnen wandelen. Zo hebben iepenziekte, essentaksterfte en kastanjebloedingssziekte bijvoorbeeld veel schade veroorzaakt en zijn er door ‘perenvuur’ ontelbare bomen vernietigd.

Die eenheidsworstenbomen hebben ook een lage biodiversiteit. Veel insecten eten van boomsoort A, slapen in boomsoort B en leggen hun eitjes in boomsoort C. Plagen in een natuurlijk bos zijn zeer zeldzaam, want als dieren of planten zich opeens sterk vermeerderen komen er uit alle hoeken en boomgaten allerlei dieren tevoorschijn die hun aantallen weer snel doen verminderen. Natuurlijk evenwicht heet dat. In en rond onze steden is dit natuurlijk evenwicht nogal uit balans. Midden in de stad is dat logisch, wat door onder andere slechte luchtkwaliteit en droge, lastige bodems overleven daar slechts vooral geharde buitenlanders zoals de plataan.

Als we de omstandigheden voor onze bomen in en rond onze steden veranderen kunnen de insectensterfte en waterbergingsproblematiek worden verminderd en de biodiversiteit, luchtkwaliteit en ons leefklimaat flink worden verbeterd. Meer allerlei inheemse boom- en struiksoorten door elkaar gebruiken zou bijvoorbeeld al flink helpen, net als veel grotere ‘boomspiegels’ (het stukje ‘ademgrond’ rond de boomwortels) waaronder dan ook wilde planten mogen groeien. Meer respect voor de schoonheid en ouderdom van onze oudste stadsbewoners zou ook helpen. Zou het niet prachtig zijn als elke stad beretrots zou zijn op hun monumentale lindes, eiken of ander majestueus geboomte?

____________________________________________

Groene Jeroen 21 (27-7-2022):

‘MEER BOS’

Groene Jeroen: meer bos

Een natuurlijk, onbeheerd en oneconomisch stukje ‘rampenbos’.

Ooit was Nederland grotendeels bebost. Holland komt zelfs van ‘Holtland’, oftewel Houtland. Maar dat hout behoorde ons, dus hebben we alles ooit tot de laatste boom gekapt. Nu hebben we het minste bos van vasteland Europa. Maar wat is nu eigenlijk precies bos?

Dat is een lastige, want bij gebrek aan oorspronkelijke natuur in ons drukke landje noemen we alles met een vleugje groen nu natuur of bos. Onze gedachten gaan dan snel naar Veluwe-achtig bos, want daar is veel groen, lijkt cultuur ver weg en voelen we ons fijn. Maar ook daar is het merendeel van de bomen van dezelfde soort, dezelfde leeftijd, netjes verzorgd en vaak van soorten die hier niet thuishoren. Die ‘bossen’ zijn dan ook door ons geplant. Want wat we in Nederland bos noemen is namelijk voornamelijk boerenland met bomenakkers.

Maar vanuit een natuurlijk standpunt bekeken is bos echter een steeds veranderend landschap vol verschillende soorten inheemse bomen, struiken en planten, van piepkleine zaailingen tot dode woudreuzen. Natuurlijk bos ontstaat vaak daar waar even geen dieren zijn die de smakelijke jonge boompjes opeten. Omdat wij bijna al die bomenvreters hier ook al eeuwen geleden hebben verwijderd en door de huidige mestregen groeien veel groengebieden nu dicht tot een vrij uniform en soortenarm, gesloten bos. Want de mooiste bossen hebben juist verwoestende stormen, een brandje op zijn tijd, overstromingen, maar vooral ook allerlei boomvretende dieren nodig. Maar al die ‘schadeposten’ zijn in ons over-verzorgde landje nagenoeg verdwenen, waardoor we vooral saaie bossen hebben waar houtproductie op één, recreatie op twee en natuur vaak pas op plek drie staat.

Toch verandert dit gelukkig langzaamaan. Steeds meer terreinbezitters krijgen in de gaten dat natuurlijk bos fantastisch is. Zoals het enige overgebleven Europese laaglandoerbos naast het Poolse dorpje Bialowieza. Dit bos is slechts nog enkele vierkante kilometers groot en de huidige Polenbazen doen hun best om het alsnog te vernietigen. Vijf keer wandelde ik daar door een sprookjesachtig parklandschap, met metersdikke bomen tot vijftig meter hoog, met zeven soorten spechten, wolven, elanden, everzwijnen en noem maar op. Daar beleef je pas echt hoe allemachtig prachtig bos kan zijn.

____________________________________________

Groene Jeroen 20 (13-7-2022):

‘AFVALMEEUWEN’

Groene Jeroen: afval meeuwen

Ooit was de zilvermeeuw vooral een zeemeeuw. Op zee en aan de kust leefde hij van krabbetjes, zeesterren, schelpdieren, vis en af en toe een ei of kuiken van andere kustbewonende vogels. Maar slim en oplettend als ze zijn zagen ze dat beroepsvissers het grootste deel van hun visvangst niet bliefden. Ze hoefden slechts achter vissersschepen aan te vliegen om zich vol te kunnen proppen met die tonnen aan weer overboord gegooid en half dood zeebanket. Zo namen zilvermeeuwen enorm in aantal toe.

Later zagen ze dat wij niet alleen ongelooflijk veel eetbaars in zee, maar ook op vuilnisbelten en zelfs gewoon op straat gooien. Daardoor trokken zilvermeeuwen ook het binnenland in en ontstonden er vooral in de duinen grote kolonies van duizenden nesten. Totdat de vos daar weer terugkeerde en zich vol propte met meeuweneieren en meeuwenkuikens. De meeuwen zochten toen andere plekken om veiliger te kunnen broeden. Zoals op platte daken en eilandjes waar de vos niet kon komen. Op de Maasvlakte zitten er al heel lang heel veel, maar het is de vraag of dat zo blijft nu de vos daar ook steeds vaker wordt gezien.

Dat er nu zilvermeeuwen zijn die vuilniszakken opentrekken en tegenwoordig zelfs Hollandse nieuwe en patatjes uit uw handen snaaien als u even niet kijkt is dus onze eigen schuld. Er zijn zelfs al handigerds gezien die goudvissen vingen door ze te lokken met stukjes brood! Meeuwen geven zo soms overlast, maar we moeten ook niet vergeten dat meer zilvermeeuwen ook minder ratten betekent. Want als er geen Guus Meeuw is, dan blijft al dat eetbaars liggen voor Adje Patatratje.

Als puber nam ik eens een gewonde zilvermeeuw mee naar huis. Een vriend bracht toen een enorme blankvoorn mee die hij van een visser had gekregen. Moesten we die voor hem snijden of zou hij hem zelf in stukken hakken? Nee hoor, tot onze grote verbazing slikte het grobbekuiken hem in één keer heel door! Zelfs stadsduiven of ratten worden zo soms in het geheel doorgeslikt. Ik vind zilvermeeuwen tof en hoor hun sfeervolle en jammerende roep graag langs het water.

Tekst bij foto: Vlaardingse zilvermeeuw ergert zich aan in plastic voorverpakt voedsel.

____________________________________________

Groene Jeroen 19 (29-6-2022):

‘POLLEPELAARS’

Groene Jeroen: lepelaarsGeluk is een lepelaar dichtbij in de zon!

Sjonge! Die lepelaar komt dicht bij! Kijkt hem toch eens driftig jagen. Hij zwaait zijn iets geopende, platte pollepelsnavel steeds heen en weer boven de bodem. Als hij een visje, een insect, een rivierkreeftje of iets anders lekkers voelt bewegen klapt zijn snavel in enkele milliseconden reflexmatig dicht. Ik vermoed zelfs dat ze de waterverplaatsingen van hun prooi kunnen voelen, of misschien zelfs wel hun elektrisch veld. Kijk toch eens hoe allemachtig prachtig de eerste ochtendzonnestralen via zijn zelfgemaakte golfjes bewegende lichtvlekken op zijn lijf schilderen! Nu staat hij even stil, wat gaat hij doen?

Niet eens zo lang geleden broedde de lepelaar in Nederland slechts in een handvol kolonies. Daar werden ze netjes beschermd en gepamperd. Toen het water een keer heel laag stond in het Naardermeer wandelde er een vos de kolonie binnen die vrolijk een groot deel van de eieren en jongen op smikkelde. Velen riepen direct dat vossen maar moesten worden afgeschoten. Lepelaars zijn nu eenmaal veel geliefder dan vossen en iemand anders de schuld geven is altijd veel makkelijker dan kijken naar mogelijke fouten bij onszelf. Die ingedutte lepelaars bleken later echter zo geschrokken dat ze op allerlei plekken in Nederland nieuwe kolonies gingen stichten. In plaats van op de grond gingen ze ook weer vaker vosveilig in struiken en bomen broeden. Nu hebben we meer dan zeventig kolonies en meer dan tien keer zoveel lepelaars als toen. Wat vele natuurliefhebbers niet in de gaten hebben is dat dit dus voor een groot deel ook aan die ‘rotvos’ te danken is. Natuur beschermen tegen de mensen blijft essentieel, maar door ook natuurlijke veranderingen en rampen toe te staan krijg je juist de meest dynamische en rijke natuur.

In onze Broekpolderse ruigte kan je die prachtige lepelaars dagelijks zien. De meeste komen helemaal uit de grote kolonie van het Quackjeswater bij Rockanje, maar sommigen komen ook uit Delft. Als u daar een volgende keer de Ikea bezoekt, loop dan even achterom langs. Daar, vlak naast het fietspad, zit een kolonie waar u de nesten bijna kan aanraken! Geluk is een lepelaar dichtbij in de zon!

____________________________________________

Groene Jeroen 18 (15-6-2022):

‘HOUTDUIF’

Groene Jeroen: houtduif

Houtduivelijk voorzichtig edoch stemmig tussen de bloesems.

De houtduif is de gewoonste duif van ons land. Hij is overal en altijd. De houtduif doet namelijk niet zo moeilijk. Hij eet algemene plantjes en zaadjes, bouwt gewoon een nest in een boom en hoeft nooit op wintervakantie. Hoe gewoon ook, ik vind ze ondanks hun kleine koppie toch erg mooi, met al die subtiele tinten wit, grijsblauw, groen en zacht-rose-paars, hun grote, bonte staart en hun sfeervolle ge’roekoekoe’. Ze komen dagelijks water drinken uit mijn balkonvijver, en wel op een bijzondere manier. De meeste andere vogels scheppen namelijk steeds een snavel vol water en doen dan hun kin omhoog om het water in hun keel te laten lopen. Maar duiven kunnen, net zoals wij, water eenvoudigweg omhoog pompen. Haviken, slechtvalken, marters, vossen en mensen lusten graag houtduiven, dus goed uitkijken en snel kunnen vluchten is hun voornaamste overlevingsvaardigheid. Dat doen ze zo driest dat je hun vleugeltoppen tegen elkaar aan kan horen slaan als ze omhoog spurten bij gevaar. De mannen kunnen overigens onderling wel flink knokken. Gericht geven ze hun tegenstander continu harde meppen met hun vleugels, soms zo fel dat ze uit de bomen donderen.

Hun nest is broddelwerk: vaak kan je de twee zuiver witte, rolronde eieren aan de onderkant zelfs door de takjes heen zien liggen. De jongen die er uit komen zien er ook niet uit. Ja, sorry, dat is niet heel objectief, maar kijk zelf maar eens; wat een gedeukte, kale lelijkerds zijn dat zeg! Gelukkig denkt mams daar anders over en voert zij ze trouw meermaals per dag haar duivenmelk. Duiven hebben namelijk iets slims verzonnen. Veel plantenetende vogels voeren hun jongen met insecten, want daar groeien ze sneller van. Duiven maken in hun keel echter een soort dunne kaas aan die ze aan hun jongen voeren. Die kwark, op basis van voornoemde plantjes en zaden, is nog energierijker dan zoogdierenmelk. Daarmee hebben duiven dus voorsprong op concurrerende zaadeters die wel insecten nodig hebben. Zo zijn duiven behoorlijk succesvol en komen ze in vele soorten over de hele wereld voor, van musklein tot bijna kalkoengroot en van woestijn tot oerwoud.

____________________________________________

Groene Jeroen 17 (1-6-2022):

‘WORKSHOP SLOOTBEESSIES’

Groene Jeroen: slootbeestjes

Big bugs! Tuimelaar en spinnende watertor.

Laatst gaf ik een workshop ‘schepnetje vissen’ aan drie lagere school klassen. Het plan was om rond de Krabbeplas een mooi slootje te kiezen om daar te kijken wat voor waterbeestjes we konden vangen. Alle sloten aldaar waren echter gevuld met zwartbruine stinkmodder.

Maar in de Krabbeplas zelf, die nou niet de beste reputatie heeft qua schoon water, zag het water er gelukkig toch best wel aardig uit. Eén meisje viel in het water, één jongentje zat vooral te huilen, maar de overgrote horde ging enthousiast aan de slag en we vingen uiteindelijk toch meer dan ik vooraf had gedacht. Zo vingen ze onder andere een dode veldmuis (‘Hé jongens, deze dooierd is gevangen bij die stijl beschoeide oevers. Kunnen jullie verzinnen waarom hij dan misschien verdronken is?’). Tot driemaal toe kwamen verschillende kinderen me triomfantelijk een volwassen brasem brengen, die zo groot was dat hij maar net in het net paste. Deze vangsten waren dan ook niet zo moeilijk gezien deze, steeds dezelfde, brasem al bijna dood was. Het meest voorkomende gevangen dier was de aasgarnaal. Dat zijn kleine zoetwatergarnaaltjes die massaal kunnen voorkomen. Behalve een baars en een stekelbaars werden er veel vlokreeften en zoetwaterpissebedden gevangen. De bloedzuigers vond men vooral eng. Verrassend was een waterspin en een onverwachte bonus was een staafwants. Dat is een soort wandelende tak onder water. En we vingen ook een paar tuimelaars!

Voor iedereen nu gaat zeggen dat die Groene Jeroen van het padje af is met zijn dolfijnen in de Krabbeplas: tuimelaar is ook de naam van een geelgerande waterkeversoort. Ook vingen we nog een spinnende watertor, de grootste waterkever van Nederland en echt een indrukwekkend beest. Grote verrassing voor mij was een klein visje die een Pontische stroomgrondel bleek te zijn. Alweer zo’n nieuwkomer uit de Donau die Nederland invasief aan het bevolken is. Deze dame was ook nog eens vet zwanger. Ik vertelde honderduit over alle watermonsters en de kinderen hingen redelijk aan mijn lippen. Mobieltjes waren ook nergens te zien, dus ze moesten wel. Gelukkig maar, want snotjandosie, wat weten die kinderen tegenwoordig weinig van de natuur!

____________________________________________

Groene Jeroen 16 (18-5-2022):

‘STADSSCHOLEKSTERS’

Groene Jeroen: scholeksters in de stad

Scholeksters waren altijd vogels van onze zoute kusten. Ooit hebben ze echter ontdekt dat die lange snavel van hen niet alleen handig is om schelpen mee te openen, maar ook geschikt is om wormen uit de aarde omhoog te kunnen halen. Omdat wij de meeste mosselen en kokkels voor hun neus wegvangen werd het voor scholeksters steeds minder prettig aan zee. Ze nestelen daarom ook al lange tijd in weilanden en op akkers in het binnenland. Maar door onze steeds natuuronvriendelijkere landbouwmethoden wordt het leven daar ook minder fijn. Het aantal broedparen is dan ook met meer dan zeventig procent gedaald. Nu zie je ze steeds vaker rond en zelfs ín de stad, want daar is nog genoeg worm en minder gif.

Zo fietste ik vorige week door de Holywijk en opeens zie ik op een omgeploegd grasveldje van nog geen vijftien bij vijftien meter naast een parkeerplaats een scholekster staan. Toen ik stopte zag ik er nog één en zelfs een jong. Mams was druk bezig wormen te zoeken en paps stond heel waakzaam te wezen. Bij elk onraad stond hij meteen luidkeels te ‘t-pieten’. Scholeksters hebben ontdekt dat het broeden op onze grinddaken lekker veilig is, want daar lopen relatief weinig mensen, katten, vossen en ander rovend gespuis rond. Het bijzondere van scholeksters is dat ze, in tegenstelling tot veel andere steltlopers, hun jongen voer brengen, dus die kunnen daar in principe veilig verblijven. Maar ja ach, de jeugd… Van twee plaatselijke bewoners hoorde ik dat er toch twee jongen naar beneden waren gesprongen. Eén was er al spoorloos verdwenen en dit jong had men weer terug op het dak gezet. Maar die eigenwijze puberdrol wist het ook voor een tweede keer weer beter.

Het moge dan veilig nestelen zijn op zo’n dak, maar uit onderzoek blijkt dat scholeksters die in de stad op de grond broeden toch succesvoller zijn dan die dakbewoners. Het steeds maar omhoog vliegen met voer voor de jongen kost zoveel energie dat er minder jongen overblijven. De volgende dag fietste ik weer langs dezelfde plek. Nergens was iets scholeksterigs meer te bekennen.

____________________________________________

Groene Jeroen 15 (4-5-2022):

‘LIEF MUSJE EN DE ROTEKSTER’

Groene Jeroen: mussen en eksters

 Mus die in zijn specifieke geval op zich wel deels een goed punt had.

BOEM! Wat knalde daar tegen het raam? Wat doet die ekster daar? Ik loop snel naar buiten, zie nog net een mus onder mijn tuinstoel vluchten, kniel neer, pak hem voorzichtig op en kijk de jonge mus in zijn onschuldige ogen. ‘Zo knul, had die ekster je bijna te pakken joh?’, vroeg ik, waarop de mus luid tsjilpte: ‘Die rot-ekster wilde me verdorie opeten! Het is een plaag!’ ‘Hoho’, onderbrak ik musmansje snel, ‘Zullen we de feiten eerst even op een rijtje zetten? Ik ging zitten in mijn tuinstoel, sloeg mijn ene been over de andere, stak een pijpje op en zette de nestvlieder op mijn knie. ‘Luister, mijn jonge vriend’, sprak ik hem vaderlijk toe, ‘Plagen bestaan helemaal niet in de natuur. Plaag is een woord dat we verzonnen hebben voor sommige dieren die ons overlast geven, dus dat is een relatieve term!’ Met een afwachtende blik keek ik het muskuiken aan. ‘Nou, eksters sucken gewoon!’, piepte hij bits terug, waarop hij snel veilig de grote bos klimop van de buren invloog.

Wij mensen leggen vaak graag de schuld bij diegenen die we niet goed begrijpen of diegenen waar we weinig mee hebben. Eksters behoren tot de intelligentste vogels van ons land en voelen zich tegenwoordig goed thuis in de stad. Hun voedsel bestaat voor meer dan negentig procent uit insecten, aas en wat plantaardigs, maar net als wij lusten ze ook graag een stukje vlees. Ze vallen nogal op met hun harde ‘kek-kek-kek’ geluid en hun prachtige verenkleed, zeker als ze zo soms eieren of jonge vogels uit onze tuinen pakken. Eksters zijn daardoor niet erg geliefd. Wetenschappelijk onderzoek wijst echter uit dat het aantal slachtoffers nogal klein is. Veel kleiner dan het aantal jonge stadsvogeltjes dat door onze geliefde huiskatten wordt gedood. Dat is een feit. Maar Minoes hoort bij ons en zij snaait kuikentjes veel onopvallender, en vaak als wij nog in ons eigen nest liggen, dus dat beleven we meestal niet. En beleving werkt gevoelsmatig meestal veel sterker dan wat er ergens feitelijk geschreven staat. Lees de krant daar maar eens verder op na.

____________________________________________

Groene Jeroen 14 (20-4-2022):

‘VLAARDINGSE MARTERS!’

Groene Jeroen: boommarter in Vlaardingen

Een prachtige, Vlaardingse boommarter!

Boommarters werden eeuwenlang bejaagd vanwege hun zachte bontjas en omdat hun ‘concurrentie’ door veel jagers niet werd gewaardeerd. Je zag ze vroeger dus maar zelden en alleen in uitgestrekte bosgebieden. Maar net als de havik is de boommarter de laatste jaren een stuk minder moeilijk gaan doen over waar hij vertoeft. In de duinen zie je hem steeds vaker en soms hobbelen ze dan vrolijk door het boomarme Westland onze kant op. Een lezeres stuurde me laatst een foto, die ze met haar automatische camera, een zogenaamde cameraval, had gekiekt, met de vraag of ‘dit een kat was’. Maar aan de pluimstaart zag ik meteen dat het een marter was. Nadat ik haar had geholpen met het opnieuw opstellen van de cameraval liet hij zich wederom meerdere keren kieken! Iemand anders toonde me laatst ook een foto van een boommarter. Een dode weliswaar, die onverklaarbaar, half uit een gat hing, hoog in een Broekpolderse boom.

Hun dieet lijkt behoorlijk op dat van de vos, maar marters passen met hun liefde voor fruit, hun vermogen tot klimmen, hun kleinere formaat en dus ook hun kleinere voedselbehoefte misschien nog beter in ons steeds bomenrijkere cultuurlandschap. Hoewel de slimme vos dan wel weer veel beter uitkijkt bij het oversteken, want ik heb beduidend meer platte boommarters gezien dan normale. Desalniettemin: er leven dus boommarters rond Vlaardingen tegenwoordig. Te midden van al het negatieve natuurnieuws is dat dan toch allemachtig prachtig!

Het wordt zelfs nog beter, want ook de steenmarter komt er aan! Sterker nog: in Rotterdam wonen er al meerdere, dus misschien scharrelen ze hier ook al rond. Dat is wat lastig te bepalen, want ze lijken behoorlijk veel op boommarters. Waar boommarters meer warmbruin van kleur zijn, met een roomgele ondervacht en keelvlek, zijn steenmarters meer dofbruin met een grijs-witte ondervacht en witte keelvlek. Maar in de praktijk is dat vaak moeilijk te zien. Steenmarters zijn veel meer cultuurvolgers, plunderen vuilniszakken en kruipen graag in gebouwen en auto’s, waar ze soms wat herrie en schade kunnen maken. Maar dat vergeven we ze graag, toch? Want ook zij zijn simpelweg zo wondermooi.

____________________________________________

Groene Jeroen 13 (6-4-2022):

‘DE FANTASTISCHE BOOMMARTER’

Groene Jeroen: boommarter in Vlaardingen  

Rustende boommarter in eik, schilderij Jeroen Verhoeff

De boommarter vind ik één van onze mooiste dieren. Als broekeventje bewonderde ik ze graag en lang in diergaarde Blijdorp. Daar hielden ze er destijds meerdere, in een rij steriele gaaskooien. Meestal lagen ze te pitten in hun nachthokjes, maar soms kwamen ze naar buiten. Dan klauterden ze vol energie ondersteboven aan het plafond, renden met hun kop naar beneden langs het gaas en maakten meters verre sprongen alsof het niets kostte. Pas wanneer ze even stil zaten kon ik zien hoe mooi ze waren. Als kleine, slanke katjes met een volle pluimstaart, een hazelnootbruine vacht met een roomgele keel en borst en levendige zwarte kraaloogjes. Sjongejonge, wat een schoonheid en perfectie!

Boommarters kunnen zo goed klimmen dat ze zelfs eekhoorns te pakken krijgen, maar vaak pas na spectaculaire achtervolgingen met gigantisch verre sprongen en valpartijen. Veel vaker vangen ze echter vooral muizen. Vogels, eieren, wormen, konijnen en kevers zijn ook prima en soms eten ze maandenlang vooral fruit, zoals bramen en lijsterbessen.

Mijn eerste, wilde boommarter zag ik kort door een Zwitsers bergbos stuiteren. Mijn tweede rende, ook weer teleurstellend kort, ‘s nachts over een Veluws bospad. Pas in een Pools oerbos was het raak. Net toen ik een kudde wisenten wilde gaan besluipen, verscheen er plots ééntje, die ik daarna vele minuten lang kon bekijken tijdens zijn jacht op wilde bosbessen. Dat was op zich weliswaar wat minder spectaculair, maar zijn schoonheid was er niet minder om. Twee Franse boommarters waren ook bijzonder. Toen ik ‘s nachts langs de rivier de Dordogne liep hoorde ik raar watergespetter. In het licht van mijn zaklamp zag ik iets harigs dat bijna klaar was met het oversteken van de rivier. Vlak voor mijn voeten klauterde een kletsnatte boommarter het water uit, keek mij ook verbaasd aan en rende toen langs me het pikzwarte bos in. In de Ardennen zagen mijn zoontje en ik plotseling een tweede ‘martre’. Staande op zijn achterpoten op een boomstronk stond hij ons aan te kijken, waarna hij wederom weer veel te snel weg denderde. En nu… wat? Boommarters in Vlaardingen!? Dat leest u volgende keer…

____________________________________________

Groene Jeroen 12 (16-3-2022):

‘GROENE SPECHTEN’

Groene Jeroen column groene spechten

 Onvolwassen groene specht. Foto Jeroen Verhoeff

Spechten hakken met hun snavel beestjes uit bomen. De zwarte specht doet dat zo en de grote bonte, de middelste bonte en de kleine bonte specht ook. Maar zo niet de groene specht. Die groene is namelijk een mierenliefhebber. Al hippend in het gras speurt hij naar mierennesten. Maar dat doet hij nogal onopvallend, want je ziet het schuwe en oplettende beest met zijn mooie groene rug niet zo snel. Als je ze al ziet zie je ze meestal vliegend. Dan zijn ze goed te herkennen omdat spechten tussen elke serie vleugelslagen even kort hun vleugels opvouwen waardoor ze vreemd golvend vliegen. Het meest opvallend echter is zijn roep: een langgerekt ‘kjuu kjuu kjuu’.

De groene specht heeft geen stevige hamersnavel. Om mieren uit de grond te peuren heb je die dan ook niet nodig. Hij hakt wel zijn nest, net als de rest, uit in een boom, maar daarvoor kiest hij dus liever een boom met wat zachter hout. In zijn snavel zit een tong van wel tien centimeter lang. Dat past natuurlijk niet allemaal in zijn snavel, dus die tong zit via zijn keel, achter en boven langs zijn schedel vast in zijn neusgat! De tongpunt is ook nog eens scherp en kleverig en heeft weerhaakjes. Dat is erg handig want als hij eenmaal een mierennest vol lange tunnels heeft ontdekt tongelt hij zo achter elkaar massa’s mieren, eieren en larven naar binnen.

Groene spechten houden van open bossen en parkachtige landschappen met kort gras, want daar vinden ze het makkelijkst mierennesten. Vroeger zorgden herten en andere grote grazers voor dat korte gras. Tegenwoordig maaien wij overal zelf het gras kort, dus vandaar dat we ze ook regelmatig in en rond Vlaardingen kunnen zien en horen. Dus als u een rare, groene reuzenmerel op uw gazon ziet, beweeg dan zo min mogelijk en kijk dan eens goed naar die rood-groen-geel-grijs-zwarte gast, want het is een prachtig beest. Net als een merel houdt hij dan steeds zijn koppie schuin, maar de deskundigen zijn er nog niet over uit of ze dan vooral kijkend of luisterend hun prooien vinden.

____________________________________________

Groene Jeroen 11 (9-2-2022):

‘VROUWTJESPUTTERS’

Groene Jeroen: havik

‘Eendenjacht’, acrylschilderij op paneel, Jeroen Verhoeff

Vroeger had je geen haviken in Vlaardingen. Wilde je de stoerste roofvogel van het bos zien dan moest je heel goed gaan zoeken op de Veluwe. Want destijds strooiden we namelijk nogal enthousiast met ‘DDT’. Haviken kregen via hun prooien zoveel van dit landbouwgif binnen dat hun eieren braken als ze gingen broeden. Nadat ook bleek dat het in onze borstvoeding voorkwam werd het grootschalig gifgebruik gelukkig afgeschaft (Hier tenminste; in de derde wereld nog steeds niet). Langzaam herstelde de havikstand zich daarna, ook omdat ze minder moeilijk gingen doen over het soort landschap waarin ze wilden vertoeven. Behalve in uitgestrekte naaldbossen vonden ze kleine loofbossen, moerasbosjes en zelfs stadparken opeens ook wel prima. Zo jagen ze nu dus zelfs in en rond Vlaardingen! Wie had dat ooit durven dromen?

Want de havik is een prachtige en geweldige roofvogel. De kleinere mannetjes vangen vooral vogels ter grootte van merels en tortelduiven en de flinke dames vangen vooral grotere prooien als houtduiven, kraaien, eenden, konijnen en zelfs hazen! Dat die vrouwen mannetjesputters zijn is niet zomaar; het zorgt er voor dat paps en mams niet op elkaars prooien jagen rond het nest, hoe briljant is dat? Haviken bespieden vanuit de bosrand hun prooi om die vervolgens driest te achtervolgen, waarbij ze verrassend handig dwars door het gebladerte kunnen vliegen. Bij een succesvolle vangst duwen ze hun superlange duimnagels herhaaldelijk in de borstkas van hun prooi tot deze nauwelijks nog beweegt, maar soms beginnen ze daarvoor al met plukken en eten.

Een paar jaar terug zag ik een jonge havik op eenden jagen boven de Foppenplas. Dat inspireerde me tot het maken van het schilderij hierboven. Op een mistige winterochtend heeft een vrouwtje een wilde eend gegrepen. Met moeite vliegt ze met haar loodzware buit naar een geschikte plukplek tussen de wilgen. De woerd, nog luid kwakend met een kop vol baltshormonen, beseft amper dat het over is voor hem. Dit zelf verzonnen schilderij werd bijna werkelijkheid toen ik vorige lente langs de derde Vliet fietste; plots vloog er een havik met een net geslagen waterhoentje vlak voor me langs. Wauw.

____________________________________________

Groene Jeroen 10 (9-2-2022):

‘GIEBELS’

Groene Jeroen: giebel

Een soort van wilde goudvis, maar dan oranje-loos en lellebellerig…

Als klein ventje ving ik in de vijver bij het watervalletje in het Hof vreemde visjes in mijn schepnet. Er werd me verteld dat het ‘steenkroesjes’ waren. Kroeskarpertjes kende ik wel, want die ving ik daar ook, maar van steenkroesjes had ik nog nooit gehoord. Later las ik dat die steenkroesjes eigenlijk giebels heten. Niet dat ik dit wel een geloofwaardige naam vond, maar het stond in meerdere boeken, dus dan zou het wel waar zijn.

Die giebel lijkt heel veel op een goudvis, maar dan zonder die rare oranje kleur (Waren onze voorouders kleurenblind? ‘Goud’vinken zijn rose, ‘zilver’reigers zijn wit, ‘goud’vissen en ‘rood’borstjes zijn oranje!). Het hele giebelverhaal is echter nogal ingewikkeld. Mannengiebels zijn er vaak helemaal niet of zeer zeldzaam. Veel giebelvrouwen gebruiken namelijk het zaad van andere vissoorten, zoals de nauw verwante kroeskarper, om hun eitjes te laten ontwikkelen. Als de kroeskarpers aan het kroezelen zijn en de kroesmannen dan een wolk zaad over de vrijkomende kroezeneitjes storten zwemt de giebelende bom-moeder er ook stiekem doorheen. Meestal versmelt hun beider erfelijk materiaal daarbij niet, maar het vreemde zaad bevrucht de giebeleitjes wel. Giebels kwamen oorspronkelijk voor in Azië en misschien ook wel tot in midden Europa, maar de wetenschap weet het niet precies. De giebelende dames kruisen namelijk zo enthousiast en veelvuldig met ontsnapte goudvissen en andere karperachtigen dat er moeilijk chocola (bruin) van te maken valt. Visverenigingen maken het nog ingewikkelder door ‘kruiskarpers’ uit te zetten; dat is weer een nieuw soort kruising tussen giebel en gewone karper. Deze zijn onvruchtbaar dus ‘geen bedreiging voor de vissenstand’, maar ik vraag me af hoe lang dat zo blijft bij een vissoort die zich zo snel kan aanpassen. Intussen is de giebel het zoveelste geval van een uitheems dier dat zich succesvol vermeerdert in ons verstoorde waterlandschap, terwijl onze inheemse  kroeskarper, die floreert in ouderwets natuurlijke wateren, tegelijkertijd steeds zeldzamer wordt. We gaan steeds meer naar een wereldwijd uniform cultuurlandschap met een beperkt aantal soorten. De uitkomst is een wereld met een fractie van het aantal soorten dat er ooit was. Arm, saai en minder fraai. Griebels.

____________________________________________

Groene Jeroen 9 (26-1-2022):

WILDE WATERRALLEN

Groene Jeroen: waterral

De geheimzinnige waterral is een van mijn lievelingsvogels. Soepel door moeras en rietveld scharrelend op zijn superlange tenen zoekt hij naar wormen, slakken, visjes, ja; eigenlijk alles wat hij te pakken kan krijgen. Heel soms zie je er één snel een open stukje drasland over rennen, maar meestal hoor je ze alleen maar. De gekste geluiden komen er uit dat wonderlijke beest: van heldere tonen, raar gekras tot luid gegil alsof er een biggetje wordt gewurgd.

Vorige week hoorde ik iets roepen langs de watersportweg in de Broekpolder dat ik niet meteen herkende. Was het een waterhoen of een waterral?  Na een paar minuten wachten verscheen er plots een koraalrode snavel, een warmbruine bovenkant en een prachtig blauwgrijze hals en buik die op zijn heupen subtiel overging in witte zebrastrepen. Jawel: een prachtige waterral liet zich wel een kwartier lang bewonderen. Mijn opa zorgde ooit voor mijn eerste. Het gestrooide vogelvoer op zijn tuinvijver lokte hele kuddes vinken, kepen en spreeuwen, maar ook een waterral die steeds onder het vijverbruggetje schuilde. Heel soms rende deze dan het ijs op om een meelworm te snaaien en zich dan weer snel terug te haasten. Eén keer ging ik met mijn hoofd ondersteboven op het bruggetje liggen. Toen mijn ogen aan het donker gewend waren zag ik hem opeens; op twintig centimeter voor mijn neus, me uitdagend aankijkend. Jaren later vond ik op het ijs hier in de Vlietlanden een dode haas waar iets kleins van had gegeten. Toen ik de volgende dag behoedzaam om de rietkraag heen schaatste zag ik nog net even hoe een waterral zijn lange snavel diep in de aashaas porde en een stukje vlees losrukte, voor hij er als een haas vandoor ging.

Deze mannetjesputters vangen zelfs muizen en vogeltjes! Nonchalant naderen ze dan zo’n argeloze piepert om ze dan bliksemsnel te grijpen. Daarna timmeren ze hen dan met hun lange snavel de hersens in of ze houden ze onder water tot ze verdrinken. Bij buitenvolières trekken ze soms door het gaas de koppetjes van kanaries af! Wauw: ben je dan een echte stoerbips (‘badass’) of niet?!

____________________________________________

Groene Jeroen 8 (12-1-2022):

‘NOG MEER NIJLGANS?’

Groene Jeroen: nijlganzen

Goed geïntegreerde, mooie gast of gans graag minder ganzen?

Onze ingevoerde nijlgans splitst dierenvorsend Nederland enigszins in twee kampen. Het ene kamp heet die mooie dieren welkom, noemt ze een verrijking van onze natuur, vindt dat elk levend wezen bestaansrecht heeft en wil ze beschermen. Het andere kamp vindt het ongewenste vreemdelingen, noemt het een verarming van de natuur en denkt dat de natuur hier zonder hen dus beter af zou zijn.

Nijlganzen zijn namelijk exoten. Exoten zijn planten of dieren die door ons ergens voorkomen waar eerst niet. Het merendeel der exoten gaat snel dood; slechts een enkele soort exoot vermeerdert zich langdurig succesvol en heet dan invasief. Dat lijkt een klein risico, maar wij mensen verplaatsen ontstellend veel dieren en planten over de aardbol, dus dat maar kleine deel succesvollen is in de praktijk toch heel groot. Waar vroegere natuurbedreigingen als jacht, visserij en boskap gevaren waren die vaak nog goed terug te draaien blijken, is dat met exoten vaak onmogelijk. Nu wandelen invasieve exoten met stip de ‘Grootste natuurbedreigingen top 5’ binnen. Wat in eerste instantie namelijk een verrijking van de plaatselijke natuur lijkt, blijkt op de lange duur juist een verarming van de wereldwijde natuur te betekenen.

Europa heeft nijlganzen nu op ‘de lijst van invasieve exoten’ gezet, dus moeten we ze ‘verwijderen, of als dat niet lukt, zodanig beheren dat verspreiding en schade zoveel mogelijk wordt voorkomen’. In Nederland schieten en vergassen we jaarlijks toch al een kwart miljoen ganzen, dus de smakelijke en nu ‘vogelvrije’ nijlgans zou als ‘vrijlopend vee’ op zich prima en duurzaam ‘weg-geoogst’ kunnen worden. Maar dat willen we niet; we eten liever flauwe, natuur-onvriendelijke gevangeniskip en gooien bijna alle gedode ganzen in de vuilnisbak.

Misschien helpt deze informatie bij het vormen van uw zo belangrijke mening. Houden van – geven om, gevoel – verstand, onderbuik – empathie, individu – biodiversiteit: wat past bij u? Intussen gaan we dan alvast door met waar we ook erg goed in zijn: gelaten afwachten en nauwelijks, niets of te laat wat doen.

Deze nijlganscolumns volgden op een lezersvraag. Heeft u ook een vraag, stuur deze dan naar de reactie en wie weet…

 ____________________________________________